| Mat Maneri: de menselijke stem als uitgangspunt (Herman te Loo) |
Mat Maneri heeft het druk. Als ik hem aanspreek in de New Yorkse Knitting Factory, waar hij met drummer Bobby Previte en gitarist Charlie Hunter een gelegenheidsformatie vormt, heb ik enige schroom. Je moet vanavond ook nog in de Tonic optreden met de band van Josh Roseman, zeg ik. De violist schrikt zich dood. Josh had me gevraagd of ik vanavond wat had. Maar ik moest dus hier spelen, dat heb ik hem gezegd. Toen heeft hij wel gezegd dat hij pas om middernacht moest optreden, en dat ik gerust na mijn gig kon langskomen. Nou heeft hij dus begrepen dat ik toch nog als gast kom meedoen, schaamt Maneri zich. Hij belt naar de club om het misverstand uit te leggen, maar er is niemand om de telefoon aan te nemen. Ik hoop dat Josh de boodschap nog doorkrijgt, zegt hij, en legt zich bij het onvermijdelijke neer. Na afloop van het optreden is er dus toch tijd om te praten.
De vriendelijkheid waarmee hij mij te woord staat en de gemeende schaamte over het misverstand zijn tekenend voor Maneri. Hoewel hij tot de meest gevraagde muzikanten van New York en omstreken behoort, is het hem bepaald niet naar het hoofd gestegen. Hij staat open tegenover mensen, net zoals hij open staat tegenover allerlei soorten muziek. Dat laatste is iets wat hij van huis uit heeft meegekregen, want vader Joe Maneri is een van de meest onorthodoxe muzikale denkers van de Verenigde Staten. Als docent aan het New England Conservatory in Boston draagt hij de microtonale muziek uit, maar zonder enige vorm van dogmatiek. De vrijere geesten van het conservatorium trekken daarom naar hem toe, en zijn colleges zijn een soort broeinest van muzikaal vrijdenken.
Mat is uiteraard ook zo opgevoed. Hij hoorde muziek veelal in levende vorm, want een platencollectie was er nauwelijks in huis. We hadden een kapotte platenspeler, en twee platen. De Negende Symfonie van Mahler, en de Matthäus Passion van Bach. Naar die laatste compositie ben ik trouwens vernoemd. Op mn vijfde ben ik viool gaan spelen, dus ik denk dat de keuze voor dat instrument niet zo vreselijk bewust zal zijn geweest. En ik heb eigenlijk altijd wel microtonaal gespeeld. Het is ook zoiets natuurlijks. Ik hoorde het niet als anders dan andere muziek. Na verloop van tijd meldde Mat Maneri zich ook als vioolstudent aan bij het conservatorium waar zn vader doceerde. Hij kwam met vlag en wimpel door zijn toelatingsexamen heen, maar hield het er na een paar maanden voor gezien, omdat de strengheid van de klassieke lesmethode hem tegenstond. Veel meer had hij aan zn privé-lessen bij Robert Koff, een van de oprichters van het beroemde Juilliard String Quartet. Bij Koff kreeg ik echt zin om iets met het instrument te dóen, in plaats van alleen maar te leren hoe ik het moest doen, aldus Maneri. Mijn solo-CD Trinity is ook een soort hommage aan hem.
Op zn vijftiende werd hij beroepsmuzikant, en belandde in het eigenzinnige improvisatiecircuit van de stad Boston, met muzikanten als gitaristen Joe Morris en Keith Yaun en pianisten Pandelis Karayorgis en Matthew Shipp. Het hier opgedane enthousiasme voor jazz en improvisatie was een belangrijke aanleiding om zn vader ertoe te bewegen weer te gaan optreden. Ik heb een bijzondere relatie met mn vader. Op het persoonlijke vlak kunnen we het niet altijd even goed met elkaar vinden, maar muzikaal denken we precies hetzelfde. En hij is een geweldige muzikant. If I wasnt his son, Id still want to hire him, aldus Mat. We hebben thuis altijd geïmproviseerd. Het onderscheid tussen het spelen van je eigen muziek en die van anderen was bij ons eigenlijk niet aan de orde. Ik heb ook niet het gevoel dat ik vrij speel. Improviseren is een serieuze zaak, het is componeren on the spot. Met slagwerker Randy Peterson en bassist John Lockwood formeren vader en zoon een kwartet dat in 1993 een opname maakt die onder de titel Get Ready To Receive Yourself in 1995 uitkomt bij het Engelse Leo Records. Het debuut van de 68-jarige microtonalist slaat in als een bom, en in het kielzog van zijn vader begint Mat ook naam te maken. Al snel krijgt Manfred Eicher lucht van de bijzondere muziek van de Maneris, en in 1996 wordt de trio-cd Three Men Walking (met gitarist Joe Morris als derde man) op diens ECM-label uitgebracht.
Beide cds laten horen hoe volstrekt logisch de microtonale aanpak past bij een jazzachtige improvisatiemuziek. Immers, de toonbuigingen van jazz en blues verschillen hemelsbreed niet zoveel van de microtonale muziek die Joe Maneri uit zijn ervaringen met de muziek van de Balkan, Griekenland en het Midden-Oosten haalde. Een ander belangrijk ingrediënt dat de muziek van de Maneris er onmiddellijk uit doet springen, is een grote natuurlijkheid en onnadrukkelijkheid. Over iedere noot wordt goed nagedacht, zodat er een heldere lijn ontstaat. De titel van de ECM-cd, Three Men Walking, is in dit verband trefzeker gekozen. Wat men zich als beeld kan voorstellen bij de muziek van dit trio is dat van Socrates (Joe Maneri) die met twee gelijkgestemde zielen, al lopend door een zuilengang, converseert. De oude meester doceert niet op drammerige wijze, maar in de vorm van een prettig driegesprek, waarbij ook een toevallige luisteraar verlicht kan worden. Er wordt door alle drie met zeer open oren naar elkaar geluisterd en op elkaar gereageerd. Nergens worden egos naar voren gedrukt of oppervlakkige virtuositeit aan de dag gelegd. En dat terwijl alle drie hun instrument tot in de perfectie beheersen.
Inmiddels heeft Mat Maneri ook los van zijn vader een indrukwekkend oeuvre bij elkaar gespeeld, waarbij hij diens ideeën meeneemt, maar ook uitbreidt. Met zijn trio-cds Fever Bed en Fifty-One Sorrows bouwt hij voort op de kwartetplaten met pa, maar de kwintet-cd Acceptance is niet microtonaal in compositorische zin. Er staan zelfs twee standards op, in de vorm van Sonny Rollins East Broadway Rundown en Rogers en Harts My Funny Valentine. Als geheel is de plaat ook jazzmatiger dan het werk met zn vader. De ritmesectie van bassist Ed Schuller en opnieuw Randy Peterson (ook de medespelers in het trio) creëren een Ornette Coleman-achtige drive, die door gitarist John Dirac van een harmonische invulling voorzien wordt. Daar overheen leggen trombonist Gary Valente en de leider hun melodische lijnen. De rondborstige samenklank van de trombone en Maneris altviool zorgen voor een uniek groepsgeluid. Maneri koos voor dit instrument om juist die speciale klankmelange.
Veelzeggend voor zijn improvisatie-aanpak is Maneris interpretatie van het bijna doodgespeelde My Funny Valentine. Bij zijn eigen composities neemt hij vaak een aantal melodische kiemcellen als uitgangspunt voor de melodische ontwikkeling van de improvisaties. Dat doet hij ook met een aantal melodiefragmenten van My Funny Valentine. Juist omdat de standard zo bekend is, levert dat verbluffende resultaten op. Het stuk wordt door Maneri uit elkaar geplukt, en op inventieve wijze weer in elkaar gezet, en dit geeft een frisse kijk op het materiaal van het origineel. Zelf zegt de violist erover in de liner notes: The song allows for improvising, since its about a form, but its not a head. Hij rekent hier af met de vaak gemakzuchtige jamsessie-achtige benadering van het standards spelen: thema spelen, over het akkoordenschema heen fietsen, en weer met het thema eindigen, zonder dat de melodie ook maar ergens in zicht is.
Waar Maneri ook op indrukwekkende wijze mee afrekent, is het beeld van de violist als virtuoos. Het koele machtsvertoon, zoals met name sommige klassieke virtuozen dat tentoon spreiden, is hem vreemd. Hij benadert zijn instrument veel meer als een blazer, en zoekt naar een frasering die de menselijke manier van praten benadert. Ik wil geen frasen spelen die lang en onnatuurlijk zijn, als een soort circular breathing. Dat interesseert me niet. Ik wil een korte interessante statement maken, en die verder ontwikkelen. Zoals je ook praat. Mijn vader vindt dat ook belangrijk. Het heeft veel te maken met invloeden uit het Midden-Oosten op onze muziek. De laatste tijd speel ik veel met Marokkaanse muzikanten. Hun muziek vertelt ook altijd een verhaal, zegt hij er zelf over. Ik heb eerlijk gezegd ook niet zoveel op met andere jazz-violisten. Muzikanten als Eric Dolphy of John Coltrane zeggen me veel meer dan Joe Venuti of Jean-Luc Ponty. Wat Leroy Jenkins heeft gedaan, is heel mooi, en heel belangrijk, maar het is ook weer totaal anders dan wat ik doe.
Behalve muziek uit het Midden-Oosten is het ook de muziek van het Indiase subcontinent die hem aanspreekt. Op zijn solo-cd Trinity speelt hij Coltranes Sun Ship als een Indiase raga. Bij veel anderen zou dit een vergezocht idee zijn, maar Maneri toont aan hoe belangrijk de Indiase muziek voor het late werk van Coltrane was (het stuk stamt uit 1965). Dat hij er ook nog eens wonderschone muziek van maakt, hoeft inmiddels geen betoog. De andere jazzheld die Maneri eer bewijst op Trinity is Eric Dolphy, wiens Iron Man hij een eigen interpretatie meegeeft. Nog meer dan Coltrane is Dolphy een gelijkgestemde ziel. De springerige frasering, de expressiviteit van de klank, de benadering van de menselijke stem in klank en frasering, het zoeken naar andere muzikale werelden dan de Westerse, het zijn allemaal zaken die de violist gemeen heeft met zijn voorbeeld.
Wat Trinity zon fenomenaal stuk werk maakt, is niet eens de tour de force van het solospel op een melodie-instrument. Het is juist ook de ingetogenheid, waarbij Maneri zich als het ware wegcijfert achter zijn muziek. De overgangen tussen gecomponeerd en geïmproviseerd materiaal zijn niet merkbaar, en daarin onderscheiden zich de echt grote improvisatoren van de rest. In de liner notes stelt hij zijn doel met deze cd als volgt: Ik wil niet met mijn techniek te koop lopen, de typische solo-aanpak. Ik hoop in mijn eigen stem te spelen. Dat is mijn doel: al mn invloeden samenbrengen en iets doen dat eer doet aan wie ik ben en wat ik hoor. Ter voorbereiding op de opnamen van Trinity bestudeerde hij de solo-vioolmuziek van Johann Sebastian Bach, en stemde zijn viool volgens de barokstemming (waarbij een A 415 en niet de huidige 440 is). De stemming, het vrijwel vibratoloze spelen en de contrapuntische melodielijnen zijn de basis voor het album, waardoor hij toch weer anders klinkt dan in samenspel met anderen. Ook koos hij er, op voorstel van Manfred Eicher, voor om puur akoestisch te spelen.
Overigens schrikt hij er niet voor terug om ook flink met elektronica in de weer te gaan. Niet omdat dit hip zou zijn, of om er een soort jazzrock mee te maken, maar om gewoon meer klankmogelijkheden te hebben om zich muzikaal te kunnen uiten. De keuze voor akoestische of elektrische instrumenten hangt dan ook niet per se af van de setting. In de duetten die hij op de cd Blessed met zijn vader Joe speelt, kiest hij veelal voor elektrisch. De versterkte zessnarige viool en baritonviool klinken daarbij soms als een elektrisch versterkte cello of een gitaar. Het biedt hem zo ook de mogelijkheid om nog dichter te komen bij een blazerachtig geluid of, idealiter, de menselijke stem. In duet met de saxofoon of klarinet van zijn vader wordt dat nog eens extra benadrukt. Het is soms moeilijk om vast te stellen wie precies welke klanken voortbrengt.
Hetzelfde geldt in het Electric Trio van slagwerker Masahi Harada. Op de cd Obliteration at the End of Multiplication (Leo Records, 2002) bespeelt hij uitsluitend de elektrische baritonviool. Het klankpalet van het trio (met elektrisch gitarist Philip Tomasic als derde man) is veel breder dan men van een dergelijke instrumentatie zou verwachten. Met zn donkere geluid kan de baritonviool soms een basfunctie op zich nemen, zodat elk van de drie trioleden op ieder moment een ankerpunt kan vormen temidden van de vrijheden van de andere twee. Dat biedt een wendbaarheid die in de vrije improvisatiemuziek van het trio essentieel is. En zoals in alle projecten waaraan Mat Maneri zijn medewerking verleent, wordt er met hele grote oren geluisterd.
Op zn drieëndertigste heeft Mat Maneri al heel wat essentiële muziek gemaakt, en heeft hij aangetoond dat hij als instrumentalist tot de top behoort. Niet alleen onder de violisten, maar in elke denkbare categorie. En als hij even onverwoestbaar zal zijn als zijn vader, kunnen we nog heel veel van hem verwachten.
Selectieve discografie:
Onder eigen naam:
Fever Bed (Leo Records, 1996)
Acceptance (Hat Art, 1998)
Fifty-One Sorrows (Leo Records, 1999)
So What? (Hat Art, 1999)
Blue Decco (Thirsty Ear, 2000)
Trinity (ECM, 2001)
Met Joe Maneri:
Get Ready To Receive Yourself (Leo Records, 1995)
Three Men Walking (ECM, 1996)
Let the Horse Go (Leo Records, 1996)
Blessed (ECM, 1998)
Tenderly (Hat Art, 1999)
Tales of Rohnlief (ECM, 1999)
The Trio Concerts (Leo Records, 2001)
En met Joe Morris, Masahi Harada, Pandelis Karayorgis, Matthew Shipp, Natraj, Steven Lantner, Club dElf, Keith Yaun, Borah Bergman, Ellery Eskelin, Franz Koglmann
Een volledige discografie is te vinden op www.velocity.net/~bb10k/MANERI.disc.html