| De idee achter deSingel: Elite Syncopations with The Folks Who Live on the Hill: Jerry Aerts en Tino Haenen. (Sim Simons) |
Van Scott Joplin tot Oscar Hammerstein II en Jerome Kern en zoveel meer: de elitaire cultuurtempel staat niet bovenop de ter plaatse opgeruimde heuvel (de Wezenberg), maar op de grondvesten ervan. En die zijn solide en doordacht gestructureerd. King Oliver maakte met de jonge Louis Armstrong op 6 april 1923 in Richmond, Indiana zijn eerste opname in een studio waar alle activiteit diende gestaakt telkens een trein op de spoorlijn vlakbij passeerde. Antwerpen overtrof die situatie een halve eeuw later toen het plan van architect Leon Stynen pal naast de spoorweg en de drukke ring werd neergepoot: radiostation, conservatorium en - deSingel. Jerry Aerts is er nu directeur, Tino Haenen muziekprogrammator.
Jerry Aerts (1955): Jazz is altijd een stuk van mijn leven geweest. Ik kom uit een gezin van een musicus, die zowel in klassiek, entertainment en jazz opereerde en mij muzikaal opvoedde in een sfeer van leren luisteren, respect te hebben voor goeie artiesten, welke discipline die ook beoefenden, vanuit welke traditie of cultuur die ook kwamen. Die opvoeding is mee de grondslag van wat we hier doen.
Pa - Maurice Aerts - was bassist, die het Antwerpse Conservatorium bijna werd uitgezet omdat hij jazz speelde. Hij werkte veel in zalen als Blumer en Billiard Palace in Antwerpen en chiquere restaurants als Lindenbos (nu: Cité du Dragon) in Aartselaar met dans - en onderhoudende bands vol musici met jazzwortels - tot de Night Club van het Casino Kursaal van Oostende toe. Zat in de militaire muziekkapel en daarnaast in symfonische orkesten als het Nationaal Orkest van België, het BRT Filharmonisch Orkest en de Munt. Voornamelijk in de jaren zestig en zeventig in nieuwe muziekensembles als het Ensemble Musique Nouvelle, dat hij samen met Walter Boeykens als in Wallonië gesubsidieerd orkest opricht. Hij speelde ook met Jack Sels.
Eén van Jerrys leukste herinneringen was bij Jack aan huis gaan (aan de Hoogstraat in Antwerpen, vlakbij de Grote Markt) waarna het gezelschap naar de Sinksenfoor trok ...
Zelf was hij - van zijn twaalfde tot zijn achttiende - ook gitarist over alle vakjes heen met als resultaat dat hij door de rockers scheef werd bekeken omdat hij ook klassiek speelde en evenzo door de jazzmensen omdat hij ook in rock-kringen rondhing.
Jerry: Ik heb toen voor mezelf beslist geen etiketten op muziekvormen te kleven. Het enige wat telt is of ik het graag hoor of niet, hoewel graag niet alleen met esthetiek te maken heeft, maar ook met andere vormen van appreciatie: leren detecteren wat de rijkdom is, of leren de rijkdom van de armoede inzien. Toen de minimale muziek opkwam, heb ik daar na intens beluisteren waardevolle dingen in ontdekt. Maar er zijn onmiddellijk replica gemaakt die in mijn oren waardeloos waren. En dat soort van nogal resoluut oordeel wil ik blijven vellen door met alle mogelijke vormen van muziek, theater en kunst bezig te zijn.
Jerry stopte als muziekbeoefenaar en met zijn middelbare muziekstudies door een handblessure. Hij schakelde over op de universiteit.
Tino Haenen (1956) groeide op in Keulen, vader was beroepsmilitair.
Tino: Ik was gefascineerd door wat in de pop niet mainstream was, dingen als King Crimson, Yes, Jimi Hendrix. Toen ik in Keulen Stockhausen hoorde ging een wereld van klassieke en hedendaagse muziek voor me open. Tot jazz kwam ik pas vrij laat - thuis was James Last eerste keuze ... Miles Davis was een eerste raakpunt - ik draaide zijn Bitches Brew grijs. Muziek bleef lang puur hobby - eens in België ging ik naar de VUB, maakte vertalingen voor de Munt, werkte mee aan Antwerpen 93, zat bij platenfirmas en nu ruim twee jaar bij deSingel.
deSingel: up where we belong
Jerry: deSingel was het kind van Frie Leysen. Eerst werd in het gebouwencomplex het Conservatorium afgewerkt. Ik herinner me nog dat de eerste zaal van het conservatorium de inkom-trappenhal was en dat ik daar heroïsche concerten meemaakte. Een fascinerend beeld was dat: een trap als een concerthal.
Vanaf 1980 werd de totale constructie benut: een jaar vroeger was de BRT van de Prins Albertlei overgekomen, in wat nu deSingel heet waren twee grote zalen, die aanvankelijk receptief werden benut.
Frie Leysen was hier als een soort van veredelde concierge gekomen en had als lokaal een hok onder de trompetklas van het conservatorium. Uiteraard reikten haar ambities verder. Eerst was er geen geld, maar in de periode 1980-83 heeft ze de pure verhuurfunctie stelselmatig vervangen door een eigen en eigenzinnige programmatie. Haar eerste interesse waren de podiumkunsten - theater en dans in eerste instantie.
Jerry Aerts kwam erbij in 1983, eerst als promotiemedewerker, dan als muziekprogrammator - niet of het één of het ander, maar het één én het ander. Daarbij kwam ook kindertheaterprogrammator.
Jerry: Daar was geen vakjesmentaliteit waar ik het al eerder over had - het gaf me de mogelijkheid over alle disciplines heen te gaan en mijn interesse een vrijere loop te geven om andere genres te integreren. En zo kwamen er jazzconcerten - vanaf 1985. Dat was ook iets wat Frie aansprak. Zij had ooit voor het Festival van Vlaanderen in Leuven een concert met Cecil Taylor georganiseerd.
Jazz: in a silent way
De opbouw van een jazztraditie begon heel rustig: de periode 1985-1990 zag sporadische concerten, één of twee per jaar, meestal in de Blauwe Zaal. Soms via contacten met de nieuwe muziek, zoals het Vienna Art Orchestra.
Jerry: In de jaren tachtig vond ik als muziekprogrammator dat de helft van de muziek die we zouden programmeren, 20e eeuws moest zijn. En zo kwam je automatisch bij jazz. Het Vienna Art Orchestra paste in deze optiek omdat het over de grens van de zuivere jazz ging, het sloot aan bij de hedendaagse muziek - een groter, eigentijds ensemble met krankzinnige maar muzikaal rijke arrangementen. Er zat 60 man in de zaal plus een dozijn op het podium, maar het was een zeer intensief gebeuren, net als het concert met Cecil Taylor in 1986. Maar toen was de Blauwe Zaal tot de nok gevuld. We hadden ook Naked City (met John Zorn) en in de Kleine Zaal regelmatig Mal Waldron.
De aanwezigheid van jazz vloeide alleen voort uit de nieuwe muziek waar we mee bezig waren, maar ook uit andere podiumkunsten zoals bijvoorbeeld de dans, waar Mathilde Monnier regelmatig samenwerkte met Louis Sclavis als musicus op het podium met zijn trio.
In de jaren negentig worden de jazzconcerten gestructureerd in de programmatie verwerkt. Systematisch gebeurde dat voor het eerst vanaf het seizoen 1991-1992.
Jerry: We trokken Rob Leurentop aan als adviseur en begonnen te werken volgens een vast model dat we ook hanteerden bij de klassieke en hedendaagse muziekprogrammatie: meestal thematische kleine reeksen - drie concerten bijvoorbeeld - wat we overigens nu nog doen. Soms werkten we rond een thema, soms rond een groep als het ICP-orkest, dat we een bepaald repertoire in wisselende bezetting op heel verschillende manieren lieten onderzoeken. Of rond musici als Michael Moore en Steve Lacy.
Tino: Of Mal Waldron, die met een opmerkelijke reeks van drie concerten - met Max Roach (een wereldpremière!), Jeanne Lee en Steve Lacy - ter gelegenheid van Mals zeventigste verjaardag. Die waren ook de basis van de op Jazz Middelheim gepresenteerde film Mal van Tom (Van) Overberghe en Bo Mandeville - een heel menselijk document overigens waarop het waard was twee jaar te wachten.
Jerry: Mee aan de basis lagen ook de reeksen die we in de Kleine Zaal in het voorjaar van 1992 organiseerden met toen vrij marginale figuren uit de jazz als Steve Lacy en de pianiste Connie Crothers. Het zaaltje zat toen met zijn 100 plaatsen meteen afgeladen vol.
Pianisten vormen een traditie binnen onze programmatie.
Tino: Wat niet zo onlogisch is als je over een zeer goede vleugel beschikt en een dito akoestiek. Geri Allen, Ray Bryant, Jaki Byard, Kenny Barron, Marilyn Crispell, Misha Mengelberg, Giorgio Gaslini, Franco dAndrea, Eric Watson. En in het voorjaar John Lewis, Tommy Flanagan en Horace Tapscott.
En als enige die wat uit de boot viel - Muhal Richard Abrams, die het binnen het uur voor bekeken hield. Zonder pauze dan wel. Tot hem was blijkbaar nog niet doorgedrongen dat deSingel aan jazz eenzelfde sérieux wil geven als aan de andere geprogrammeerde muziekvormen en podiumkunsten.
Beneath the underdog? Niet hier
Wil je jazz een volwaardige plaats binnen je programmatie geven, dan moet je een aantal traditionele waarden herschikken en klassiek geschoolde én jazzmusici - in wezen nu ook jazzgeschoold - gelijkschakelen - in behandeling, presentatie en gage.
Jerry: Hoe we dat wilden doen? Door eigenlijk dezelfde regels te hanteren, dezelfde geplogenheden als bij een klassiek concert - een programmaboekje, een pauze, een bloemetje op het einde van een concert.
Tino: En een inleiding met op zijn minst de centrale figuur van de avond als gesprekspartner, zoals Sylvia Broeckaert dat nu voor de jazz doet in de foyer.
Jerry: Niet alle musici hebben die égards geapprecieerd - de meesten vonden ze wel leuk. Daarom zijn we van die regel wat afgestapt en laten we de jazz zijn eigen leven leiden. Maar je kan niet ontkennen dat dit het geheel een ander gevoel geeft en dat onze benadering ook meer sérieux rond de jazz heeft gebracht. Het loopt ook samen met de relance die de platenindustrie in de jaren negentig kende - door de cd zijn er méér mensen naar jazz beginnen luisteren.
Het is een fenomeen dat een zekere commercialiteit meegekregen heeft met in mijn ogen minder interessante nevenverschijnselen als altijd maar epigonen van epigonen met een uiteindelijk bijna easy listening benadering van iets wat eigenlijk repertoire hoorde te zijn. Daar zijn wij binnen onze programmatie ook serieus tegen ingegaan. Al wat trouwens naar commercie ruikt wordt hier gebannen.
Wij betalen de mensen normale uitkoopsommen. Jazzmusici werden en worden soms en vrij veelvuldig uitgebuit. Dat is hier niet aan de orde.
Tino: Die exact dezelfde benadering als de klassieke musici wordt door de jazzlui als een meerwaarde ervaren. Dat laat zich ook voelen in een sterke intensiteit in de concertuitvoering en in een grote concentratie, die ook overslaat op de zaal. Muisstil beluisteren van jazz kan net zo goed, zoniet beter als in een rokerige club.
Jerry: We verwachten natuurlijk ook dat de instelling van de jazzmensen dezelfde is als die van hun klassieke collegas. Maar jazzmusici houden zich niet zozeer aan programma afspraken. In die zin denk ik, schiet de jazz, als ze echt au sérieux wil worden genomen, nog te kort. Een extreem voorbeeld was het concert met Franz Koglmann rond Duke Ellington, die ik overigens als één van de grootste componisten in de totaliteit van de muziek van deze eeuw beschouw. Het is spijtig dat mensen zich voorbereiden op een spannende andere aanpak van het oeuvre van Duke en het dan met twee nummers of twaalf minuten moeten stellen. Ze hadden dan wel Paul Bley in plaats van Tony Coe, maar toch kom je bedrogen uit. Daarentegen beantwoordde het Julius Hemphill project wel aan de afspraken.
Tino: We weten bij een klassiek concert quasi exact hoe lang het optreden zal duren en hoe de opeenvolging van de gespeelde stukken zal zijn. Jazzmusici leggen soms al beperkte afspraken gewoon naast zich neer.
Jerry: Men laat zich door de sfeer beïnvloeden en speelt waar men op dat moment aan denkt zonder het exact voorbereid te hebben. Wanneer een klassiek musicus op het laatste ogenblik een zeldzame programmawijziging doorvoert, zal hij dat zeer gegeneerd en met schroom aan het publiek vertellen. Een jazzmusicus vindt het niet meer dan normaal dat hij driekwart of de helft van het vooraf afgesproken programma overhoop haalt. Misschien is dat te wijten aan de minder rigide levensstijl. Die mensen maken een summiere afspraak voor een gig maar niet voor een bepaald repertoire op een bepaalde dag.
Ik maak de opmerking dat het misschien eerder pose of gemakzucht is. Waarop Jerry de zaak omkeert en stelt dat het misschien pose van deSingel is de musicus in een bepaald keurslijf te wringen.
Jerry: Het kàn, maar niet met iedereen en niet op ieder moment. Daarom - als we aanvoelen dat afspraken niet zo gemakkelijk gemaakt kunnen worden, maken we er ook geen melding meer van.
Het thuisfront
deSingel profileerde zich in alle disciplines internationaal. Wat ook de hoofdreden was waarom hoofdzakelijk buitenlandse jazz aan bod kwam.
Jerry: Ik denk dat de Belgische jazzscène, die toch kwalitatief enorm verbeterd is de laatste jaren, niet meer kan genegeerd worden. Er wordt nu ook werk gemaakt om hen met een grotere regelmaat aan bod te laten komen. Zo ging tijdens het seizoen 1995-1996 het ERU-concert rond Variations On A Love Supreme in deSingel - een driedubbel concert met de voltallige groep en de trios van de basisfiguren - Aka Moon (Fabrizio Cassol) en KDs Decade (Kris Defoort) en vorig seizoen programmeerden we in de octettenreeks Octurn, inmiddels tot tien man uitgebreid...
Tino: Voor de programmatie adviseert Hugo De Craen ons. Zijn start vorig seizoen - de ronduit slechte prestatie van de Mingus Big Band - bezorgde hem een onterechte kater. Hij kon het ook niet helpen een na een uit de hand gelopen Nederlandse brouwerijreceptie uitgebluste groep te treffen, die bovendien een (contractueel verplichte) soundcheck negeerde. Zelden zagen we musici van zo weinig professionalisme getuigen. Want tegen onze principes in was de groep niet op lange termijn gecontracteerd - de enige keer.
Jerry: Wij zijn de enige organisator te lande die jazzprogrammatie op langere termijn plant. Ze staat mee in ons programma-overzicht dat in mei voor het volgend seizoen gedrukt is en gepresenteerd wordt. En voor dat seizoen waren we door spijtige omstandigheden niet klaar met de jazz. Vandaar dat de huidige programmator vierklauwens aan de slag moest.
Ik vind de keuzes die hij maakt zeer muzikaal - zo plaatst hij dit seizoen John Lewis en Tommy Flanagan naast de zéér verschillende Horace Tapscott - voor mij een ontdekking. Ik heb het concert ook voorgesteld aan de jazzklas van het conservatorium om thematisch op te werken. Men kende de pianist niet, maar men is er wel op ingegaan.
Een ander mogelijk project - mogelijk of zo goed als zeker - zijn de Walcott-songs met Vlaams acteur Dirk Roofthooft, waarvan ik bij Henry Threadgill thuis in New York repitities meemaakte. Een risico misschien, maar in Amerika heeft men het nog niet aangedurfd. Men kent ons daar blijkbaar wel - een Amerikaanse vriend stelde onlangs: deSingel - is dat niet het Belgische Lincoln Center ...?
Om even terug te komen op Tapscott in het conservatorium - je kan discussiëren over de waarde van een jazzopleiding aan het conservatorium, maar het is beter dat er één is dan wanneer er geen zou zijn. Een grote solist zal later zijn weg zelf wel maken, maar een deel van zijn bagage kan hij hier al verwerven. En met Tapscott in de klas kan dat voor jonge muzikanten een positieve uitdaging zijn.
Elite syncopations
Publiek verschilt naargelang locatie en programmatie. Bestaat er zoiets als De Trouwe Singelbezoeker?
Jerry (formeel): Neen - je hebt wel de theaterbezoeker, die jaarlijks zon 20 keer komt, maar die ook andere theaters afschuimt. Er is ook de stevige jazzfanaat, die hier op elk concert is - zon vijftigtal. Er is de muziekliefhebber die liever in een geacclimatiseerde zaal op een goede stoel zit, dan per se oude muziek in een kille kerk op een kramikkige kerkstoel te beluisteren. Laten we stellen: mensen die luistercomfort weten te appreciëren - dat zijn de intensieve consumenten...
Tino: ... die bovendien goed geïnformeerd zijn. Wij stellen wel veel gegevens ter beschikking, maar je moet ze ook verwerken en niet ongelezen klasseren. Er is in de zalen altijd een intense aandacht, een enorme concentratie. Ook jazz wordt een bijna sacrale belevenis. Merkwaardig is dat je de jazzliefhebber soms wel op klassieke - vooral eigentijdse concerten ziet, maar dat zoiets omgekeerd hoogst zeldzaam is.
Jerry: Je gaat niet naar deSingel omdat het deSingel is, je gaat voor het aanbod. Omdat we streven naar een zekere kwaliteit brengen we zeker niet altijd de makkelijkste programmas, waardoor automatisch een deel van het publiek wegvalt. Zo wordt je elitair en ik ben niet beschaamd om dat als een kwaliteit te beschouwen. De mensen komen hier om zich te verrijken. Ze onderscheiden zich van mensen die dat niet doen. Als dat elitair is, laten we dan maar elitair zijn. Zo bekeken komen hier tienduizenden die elitair zijn. In die zin is dat verbredend, niet verengend. Het is daarvoor dat je gesubsidieerd wordt, niet om iets te brengen dat in de gemakkelijke amusementsindustrie zo maar voor het grijpen ligt.
DeSingel wordt gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap en de Provincie. Ondanks het feit dat 50% van de bezoekers uit Antwerpen komt, komt het gemeentebestuur pas vanaf volgend seizoen mee in de running. Inmiddels wordt vanaf maart de jazzprogrammatie van dit seizoen afgewerkt - details en nuttige gegevens vind je in het kadertje hierbij. In mei ligt de nieuwe seizoensplanning voor je klaar. Zo vind je de weg To The Great House zoals in de compositie van Horace Tapscott.