Cameron Brown: I’ve grown accustomed to my bass (Sim Simons)


Sheila Jordan zong het als bisnummer van het slotconcert van de Jazz’halo Music Days in De (Brugse) Werf op 11 november 1997. Het was een duo-optreden met bassist Cameron Brown - “Cam” zoals o.m. Sheila hem noemt - hun eerste live concert samen. Een oude droom en een realiteit; De opname verschijnt wellicht volgend jaar op het Jazz’halo label.
Deze jaarlijkse muziekdagen betekenden voor Cameron Brown (° 21.12.1945) het debuut als leider.


De misverstanden

•Cameron is erg handig, maar dan vooral linkshandig.

There’s a lot of misinformation about me - but that one I never heard before. Om als linkshandige te spelen moet je de snaren omwisselen zodat b.v. de sol-snaar staat waar normaal de mi-snaar is. Toch ontmoette ik in Zweden een bassist” - de naam herinnert hij zich niet meer - “die als linkshandige zijn bas niet had aangepast. Maar net als mijn vader ben ik een beetje tweehandig. Eigenlijk moet je dat wel zijn. Als je een snaarinstrument als bas of gitaar speelt, leveren je beide handen evenwaardig werk.

•Cameron werkte met de Mingus Dynasty.

“Nog zo’n publicitaire stunt. Ik speelde nooit met hen of onder die naam. Eén avond viel ik in bij de Mingus Big Band, maar dat is al een (chronologische) stap verder, het volgende memorialproject van Sue Mingus, who was going to sue us for using that name. In het kwartet van George Adams en Don Pullen (zie verder) zat nog een derde ex-Mingus bandlid - drummer Dannie Richmond. Als bassist was het vrij logisch dat ik nooit bij Charles gespeeld had. Ik had wel meegewerkt aan Dannie’s “Plays Charles Mingus”-plaat uit 1980 (met Jack Walrath - tp, Ricky Ford - ts en Bob Neloms - p, allen Mingus-alumni). Met Ricky had ik ook voor Timeless “The Last Mingus Band” opgenomen. Al die associaties met de vroegere Mingus bands en zo kort na diens dood (05.01.1979) maakten Sue wantrouwig - zij dacht dat wij door de naam “Mingus Dynasty” te gebruiken een deel van haar rechten zouden opstrijken. George trachtte Sue van zijn en onze onschuld te overtuigen en dat het de organisatoren waren, die hoopten hun ticketverkoop door het zaaien van verwarring rond de naam van Charlie te zien stijgen.

•Oscar Pettiford was Camerons grote voorbeeld.

Ik hoorde hem als jonge kerel (de opname is van 23.12.1956) op Monks “Briliant Corners”-plaat, waar Oscar op die blues” - het duurt even tot we tot de correcte titel komen - “Ba-lu Bolivar Ba-Lues-Are een mooie solo speelt. I use that solo in my teaching. But actually ... ik werd vooreerst heel sterk beïnvloed door twee andere bassisten: Mingus en Paul Chambers - Paul vooral. Hij is wat onderschat. Voor mij geeft zijn teaming met drummer Philly Joe Jones die echte moderne swingfeeling, nog voor Tony Williams kwam.


Zonder blikken of blozen: de blikken bas

Stilaan ben je meer op je hoede - maar toch riskeer je een nieuw misverstand of een halve waarheid méér: of Cameron zijn eerste eigen bas inderdaad in Zweden kocht?

Cam (grinnikt): “True. True. Oh yes, that’s true. And that’s a funny story - maybe too long but anyhow. Ik was geboren in 1945 - dus zat ik op de high school in 1959. In die tijd was het nog geen regel dat schoolfeestjes werden opgeluisterd door rock-and-roll bands. Ze hadden daar nog (in Detroit, zijn geboorte- en jeugdstad) die little-ten-piece-trying-to-be-Glenn-Miller bands. In mijn school waren alle bassisten meisjes, maar het was niet de gewoonte een vrouwelijke bassist in een dansorkest te hebben.

In 1960 ook nog niet?

Nee - de jongens waren met de jongens en de meisjes met de meisjes. Nu iemand had een bas - het lichaam was in bruin geschilderd plaatijzer - een blikken bas dus eigenlijk. Enkel de greep was in hout. Geen resonantie - je kon de noten niet echt horen. Je kreeg wel een mooi gebonk. (Cam demonstreert: toum, toum, toum, ...) Ik had een zacht karakter en toen er een vrijwilliger-bassist werd aangeduid, werd ik bestookt en overtuigd. Wat niet belet dat ik mij heel erg tot de bas voelde aangetrokken. Ik speelde aanvankelijk klarinet, maar ze gaven me deze blikken bas. Ik nam hem mee naar huis en leerde mezelf erop te spelen, ten koste van beschadigde en bloedende vingers. Maar na een maand speelde ik mee op een nieuwjaarsfuif - privé dan wel. Zo begon het.

De volgende twee jaar speelde Cameron met de big band op schoolfeestjes. Toen daarna, als senior, werd hij bassist in de band en klarinettist in het klassieke orkest, waardoor hij veel en verscheiden ervaringen opdeed. Bovendien bezat de school wél kwaliteitscontrabassen. En Cameron behaalde zijn diploma.

When I graduated I went to Sweden - I was an exchange student for a year. Probleem was dat ik geen bas bezat, maar ik had wel een paar honderd dollar gespaard en ik kocht een Duits instrument voor $ 300. Na een jaar ging ik terug naar New York, naar Columbia University, als eerstejaars.
Ik bleef er aanvankelijk van de zomer 1963 tot de zomer 1964. Dan haakte ik een tijdje af, maar ik zou achteraf mijn studies voltooien. De gelegenheid die zich voordeed, was té aanlokkelijk.



George Russell en Don Cherry

De opname van George Russell “At Beethoven Hall” - de concertzaal in Stuttgart betekende een mijlpaal in de carrière van Cameron Brown en in retrospect bekeken ook in de jazzgeschiedenis (31.08.1965). Het George Russell sextet bestond naast Russell en Brown uit drummer Al Heath, trompettist Bertil Löwgren, trombonist Brian Trentham, tenorist Ray Pitts en gast Don Cherry.

Ik was toen 19 en Cherry stond bij mij voor ontzag, magie en een benadering van de muziek die voor mij geheel nieuw was. In de lente van 1966 nam ik de plaats van Jean-François Jenny-Clark in bij Dons kwintet. Ook in de band waren Gato Barbieri, Karl Berger en Aldo Romano. We deden twee weken in het oude Montmartre Jazzhus in Kopenhagen. This was just an unbelievable exciting band. It played everything from Charlie Parker tunes to Ornette Coleman tunes to Albert Ayler tunes - we played bossa nova, standards and bebop. In één set hoorde je flarden van dat alles en de interactie tussen de bandleden was zo groot, dat ieder op elk moment wist waarheen. Coltrane speelde in die dagen 40-minuten solo’s, bij ons betekende die tijdspanne een set met korte solo’s en vol verrassende overgangen, haast een spontane montage van de hoogtepunten uit de tweede helft van de jazzgeschiedenis. Miles deed iets gelijkaardigs: hij maakte ook collages en medleys, maar dan van zijn eigen muziek.”

Later had Cameron in de USA de gelegenheid twee keer een week in de Village Vanguard met Don Cherry te spelen. De eerste keer (1985) was dat met wisselende bezettingen met o.m. tenorist Jim Pepper (een van de weinige indiaanse jazzmusici), de tweede keer met een kwartet: Don, hijzelf, Carlos Ward. Hiervan bestaan opnamen die nog niet verschenen zijn.
De hoger geciteerde opnamen in Beethoven Hall verschenen aanvankelijk op twee lp’s (MPS/Saba 15059 en 15060). Ze werden onlangs door Polygram heruitgegeven op één cd (MPS 539 084-2) als “At Beethoven Hall / Complete Recordings”. Ze bevatten geen extra-materiaal. Inmiddels lopen we even op het Brown-verhaal vooruit.
In de lente van 1965 ontmoette Cameron voor het eerst trombonist Brian Trentham uit Indianapolis. Hij had de zomer daarvoor met George Russell op het Newport Festival gespeeld. Dat was op 3 juli 1964 tijdens het namiddagconcert, dat ging onder de hoofding “New Faces in Jazz”. Een sterke groep met naast Russell en Trentham, Thad Jones, John Gilmore, Steve Swallow en Albert Heath. En een vocaliste. Fotograaf Burt Goldblatt was een aandachtig luisteraar: “Het sextet van George Russell was outstanding, van ‘Outer View’ over ‘Stratusphunk’, ‘D.C.’ en ‘Divertimento’. Dan voegde Sheila Jordan zich bij hen voor de oude country music-standard, geschreven door de ex-gouverneur van Texas, Jimmie Davis: ‘You Are My Sunshine’. Her singing was briljant and vital”.



Lydia in Sweden

"George (die toen al “New York, N.Y.”, “Jazz in the Space Age”, “Ezzthetics” en “The Stratus Seekers” had opgenomen) ging in de herfst van 1964 naar Europa en werd zwaar ziek in Stockholm. Zo’n half jaar lag hij in het hospitaal en moest hij het bed houden - ik dacht dat hij tuberculose had opgedaan. Maar toen hij beter werd, kreeg hij in Zweden heel wat werk aangeboden - ook van de radio, waar hij voor een reeks grotere werken carte blanche kreeg.
George bleef tot 1969 in Zweden, Brian Trentham kwam in 1965 over voor een jaar. En ik speelde in de Cascall Mountains in een band in een countryclub. De trompettist daar was Lew Soloff -
(lacht) - just as crazy as he is now - wonderful guy...
Er kwam toen een telegram van Brian uit Zweden. Hij had me bij George Russell aanbevolen om voor de zomer 65 over te komen. Ik was nog geen twintig, ik was er ook nog niet klaar voor. We gingen naar het festival van Mölde - je geraakte er toen enkel met een Hoovercraft - en er was maar één bas op het festival: die van Niels-Henning Ørsted Pedersen. Niels was toen al heel wat meer geavanceerd dan ik - al was hij vijf maanden jonger ... Hij speelde o.m. met Lars Gullin en ik werkte er met Donald Byrd, Booker Ervin en George. Ik had er ook de gelegenheid te spelen met Albert Heath - een droom. I don’t know if he was so excited to play with me ...


En toen kwam Beethoven Hall.

Heel veel trad Russell niet op. Hij had een vaste gage bepaald en wie daar onder bleef, hoefde niet op hem te rekenen. De radio betaalde goed.

Russell speelde in die dagen ook een concert in het PSK in Brussel evenwel zonder Cameron, maar met Löwgren, Eje Thelin - tb, Bernt Rosengren - ts, de Poolse bassist Roman Dylag en Tootie Heath - d. Dat ter gelegenheid van het XIVe Jazzpanorama van de BRT (1966).
Nog in Zweden werkte Brown met tenorist Bill Barron. Terug in de USA zouden ze voor Savoy opnemen. Bill had al eerder voor het label drie lp’s opgenomen waarvan twee met Ted Curson in 1961 en een met Booker Ervin een jaar later. Maar - de drummer daagde niet op en de sessie werd afgeblazen.


Grotendeels waar of een stukje niet waar?

Cameron Brown had dan wel met Cherry en Russell opgenomen, de Hall of Fame is nog ver af. Hij speelt veel, heeft interessante schnabbels en ontmoet in zijn vervolmakingsproces een aantal musici die je niet zo direct in verband zou brengen of die ons weinig of niet bekend zijn.
Zo de encyclopedische waarheid:

Cameron Brown werkte met Dave Liebman en Randy Brecker.

No I didn’t play that much with them. I was in Dave’s very first band and so was Randy. We maakten een demo, speelden wat gigs - we wonnen zelfs een concours - meer niet. Dat was in 1968. Ik had Randy al eerder ontmoet omdat hij Brian (Trentham) goed kende.

Ted Curson?

End sixties there was a funny little club on the corner of 69th Street and Broadway called ‘La Bohème’. Er kwam nooit iemand en ik vormde met drummer Jimmy Lovelace de huisritmesectie. We speelden er in trio met Booker Ervin, met Ted Curson. Op een keer toen ik vrij was - het was na middernacht - kreeg ik een telefoontje van daar. Lee Konitz was er met Lovelace. Ze hadden de bassist van die avond naar huis gestuurd en ze vroegen me om de laatste set te komen spelen. Er was een klant en die viel dan nog in slaap in het midden van een nummer ... This is completely undocumented history ...

Wie was Barry Miles?

How do you know all this ancient history? Barry was een pianist (en ook drummer op zijn eerste plaat) die over de jaren verscheidene bands had en ermee opnam. Er zaten ook bekende cats bij: Duke Jordan op zijn eerste, dan Lew Soloff, Robin Kenyatta, Lew Tabackin (samen met Pat Martino én John Abercrombie), Harvey Swartz, Vic Juris, ... Ook een ongelooflijke drummer - Don Perullo, die op een aantal schoolfeestjes mee in onze band zat, maar nooit beroeps wilde worden.
Barry Miles ... ik denk dat hij nu muzikaal directeur voor Roberta Flack is. Michael Cuscuna schreef ooit een recensie van een concert dat we deden - ik geloof in Wesleyan College in Connecticut. De blazers waren toen Sam Rivers en Robin Kenyatta. Dat was de eerste keer dat mijn naam in de ‘Caught in the Act’-rubriek van Down Beat opdook
.”

Je trok je drie jaar terug uit de muziekbusiness.

In 1969 maakte ik mijn college af - ik had er zes jaar over gedaan met die onderbreking in Zweden. Al wie toen afstudeerde, ging recht naar Viëtnam - als je een man was tenminste. In april hadden we mekaar eens bekeken met de vraag - ‘wie van jullie wil echt naar Viëtnam?’. De burgemeester van New York had toen echter een afspraak met de recruteringsdienst van het leger: wie lesgaf in NYC werd vrijgesteld van militaire dienst. Maar geen van ons had een pedagogisch diploma. De stad organiseerde in de zomer een snelcursus en dat werd onze redding. Ik gaf drie jaar les in de South Bronx - quite an experience! Ik trachtte wel een paar weekends te spelen, maar ik was doorlopend doodvermoeid - als je ‘s morgens om vijf uur in koud zweet wakker wordt - ‘wat ga ik vandaag weer met die kids aanvangen?’ - blijft er weinig energie tot spelen over. Teaching is one of the most difficult jobs in the world. Bovendien in een lagere school in het slechtste district van het hele land!

Na zijn schoolavontuur - in 1972 vormde Cameron met vrienden een band on the road met o.m. een optreden in de ‘Blues Brothers’-film.

"We verdienden een vrachtwagen, een geluidsinstallatie, een Fender-Rhodes piano. We waren niet meer afhankelijk van wat de organisator ‘te bieden’ had. Onze pianist Mitchell Cupper had in 1974 een job met een zanger, John Lucian, die op RCA-Victor een underground hit had - “Rasheeda”, waarvan zonder enige promotie 50.000 singles verkocht werden. John was ‘a very sexy singer’ afkomstig van de Maagden-Eilanden. Ik werkte met hem in een club op de hoogste verdieping boven de Village Gate, dertien weekends in een afgeladen ruimte. Dat was natuurlijk geen jazz, meer latin-toestanden. Voor RCA maakte ik met hem “Mine’s Eye” - een collector’s item en het enige opgenomen voorbeeld van mijn werk op elektrische bas!


Sheila

In 1974 ontmoette ik Sheila voor het eerst - Sheila Jordan. Ze zorgde voor een gig op Long Island, waar we elke woensdag optraden met een pianist - Johnny Napp. Zij bereidde inmiddels met Roswell Rudd een plaat voor die hij voor Arista ging opnemen (“Flexible Flyer” - Arista AL1006 - terug uit op cd Black Lion BLCD760215 - maart 1974). Zijn pianist - Hod O’Brien - had geërfd en opende een club op de hoek van waar 7th Avenue South was en Leroy Street. Het was een heel moeilijk jaar met o.m. een waterstand van één meter bij een overstroming - niet zo best voor de piano ... Maar gedurende zes maanden vormde ik er met Hod en Beaver Harris de huisritmesectie voor de solisten die we inhaalden - niet zo’n courante opvatting van de New Yorkse club toen. En nu evenmin. Zoot Sims, Al Cohn, Charlie Rouse, Pepper Adams, Chet Baker en Bob Mover speelden met ons twee dagen per week. Downtown dus - met hun eigen groep deden ze de weekends Uptown.
Een jaar later (12-13 juli 1975) wordt met Sheila “Confirmation” opgenomen (East Wind EW 8024) in de Vanguard Studio’s aan 23rd Street, waar nu Joe Lovano woont. Het was een mooie, grote studio en de technicus was David Baker, die nu bij deze Jazz’halo Music Days de opnamen maakt. Beaver Harris was de drummer.



Shepp

Met Shepp werkte ik niet zo lang, maar we namen in verhouding heel wat op. Jimmy Garrison was erg ziek, zo stelde Beaver Harris mij als zijn vervanger bij Archie voor. Zo nodigde hij de Shepp-bezetting van toen uit in de ‘St. James Infirmary’ - Hods club. En die zomer van 1975 was het meteen ‘boom’ voor mij: het was alsof ik uit het niets stapte. Ik vloog met Archie mee naar Europa - recht naar Montreux, waar voor Arista, dat toen echt een groot jazzlabel was, twee platen werden opgenomen met de vrij simpele titels “Montreux One” en “Montreux Two” (18 juli 1978) (Arista AL-1029/Black Lion 741027CD - vol. 1 / Arista AL-1034 - vol. 2).
In de band zaten toen naast Shepp trombonist Charles Greenlee, pianist Dave Burrell, ikzelf en drummer Beaver Harris. Michael Cuscuna was ook overgekomen als producer. Die zomer deed ik zo’n maand met Shepp. We namen in Milaan ook nog “A Sea Of Faces” op (4-5 augustus - Black Saint BSR0002), maar ik had ook een aantal gigs met Roswell Rudd en dezelfde ritmesectie en toen deden we “that Laren-Middelheim thing” (met Rudd én Sheila Jordan) in augustus.
Shepp was heel populair in Frankrijk en toen we terugkwamen, namen we op tijdens het Massy-festival (Uniteledis UNI22975YX2 - 24 oktober 1975) met de Montreux-bezetting.
In januari ‘76 kwamen we terug - ze vlogen ons Frankrijk rond - alle grote steden. Maar ook Duitsland: in Nürnberg namen we “Steam” op (14 mei 1976) met Shepp en Beaver gewoon in trio. Het was een festival met ook musici uit Oost-Europa (het East-West Festival) (Enja CD 2076), een maand later waren we in Oslo met de Noorse zangeres Karin Krog erbij. (Compendium/Meantime MR3 - 23 juni 1976). Ik speel maar op een stuk mee samen met de Noorse bassist Arild Andersen.
In de zomer kwam Shepp voor ieder van ons aandraven met een driemaandelijkse Euro-Railpas. Nu, dat was er te veel aan. Shepp had niet echt zoveel werk meer, maar hij dacht dat we zo onze vrije weken konden opvullen met Europa rond te reizen. Maar ik had een familie te voeden en ik kon moeilijk mijn centen aan overbodige hotelrekeningen spenderen. And that was when I met Blakey.



Art and back to Archie

Blakey had zijn ritmeduo in Londen moeten achterlaten. Pianist Mickey Tucker en bassist Chris Amberger waren (ten onrechte zo bleek) aangehouden voor het bezit van cocaïne. Het was de band met Bill Hardman en Dave Schnitter. Hij engageerde me voor de rest van de toer plus een Nederlandse pianist. Hij had me al eerder willen hebben: I heard about you - I want you in the band.

Na een maand moesten ze voor een festival naar New York en kwamen onmiddellijk terug. Perugia, Nice, ... - Cameron bleef bij Art:

‘In the beginning I was eating brown rice, at the end I was drinking cognac and eating steak.’ Zes maand bleef ik in de band - ook terug in de USA: een week Chicago, een week Detroit, een week Montreal, vijf weken Japan - zelfs in New York had je geen tijd voor je familie. Na dat half jaar non-stop was ik helemaal uitgeblust en ik verliet Blakey eind 1976.

Net daarvoor situeert zich de Doublet-jazzgeschiedenis - een plaat met o.a. versies van “Come Sunday” en “My Favorite Things”.

That was a funny story - ik heb er een miljoen van ... Er was altijd herrie tussen Bill (Hardman) en Mickey (Tucker) aan de ene kant en Blakey aan de andere. We waren op toer in Japan en we maakten deze opname met Mickey en een Japanse drummer (Toshio Oshumi). Mickey was zo kwaad op Art dat hij de groep wou verlaten. Zo - Blakey wordt ‘s morgens wakker en vindt een briefje - ‘I’m leaving, Bu’ Bu(haina) kon het niet geloven. Die avond moesten we het belangrijkste concert van de hele rondrit spelen, maar Mickey was echt weg. Die avond was er geen pianist - Blakey was razend. ‘Don’t no one monkey stop no show!’ (Cameron schatert het uit). En hij speelde alsof er wel een pianist was - hij veranderde niets aan de nummers. Voor de laatste drie concerten van de toernee hadden we een Japanse pianist. Toen belde ik Shepp en die had weer een tournee klaar in januari 1977. Dus ging ik mee en bleef bij hem tot begin 1978.

In oktober maakt hij met Shepp binnen de week drie platen: 12 oktober - “The Tradition” met Clifford Jarvis (Rome) - Horo HDP 13/14 - LP; 18 oktober - “Parisian Concert 1/2” met Siegfried Kessler - Sun SR114 & SR117 en op 19 oktober “Touch of the Blues” met zanger Joe Lee Wilson en Kessler (Parijs) - Fluid 102.
Eerder dat jaar was er nog de “Rising Sun Collection (RSC 0005) met o.m. Charlie Persip als drummer (12 april 1977).


Toeren maar

In de zomer ‘78 is er weer een toer, nu met Terumasa Hino. Matthias Winckelmann (Enja) nam tweemaal op - onder Mal Waldrons naam en met Hino en Steve Lacy - “Moods” (enja ENJ3021) (6 mei 1978) en met Bob Degen en de Hino’s (Terumasa en zijn broer Motohiko op drums) - “Children of the Night” (enja ENJ3027) (16 mei 1978). Terug in NY was Hino ook met Cameron (en o.m. Lew Soloff, Gary Valente, Ricky Ford en Marty Ehrlich op de “New York Big Band”-opname van George Russell (Soul Note SN 1039 - 16 augustus 1978). Met Ford volgt ook “The Last Mingus Band” (Timeless).

“In 1979 maakte ik de grote zomertoer met Beaver. Eerst was er een memorial concert voor Lennie Tristano geweest, waar ik met Sheila en Harold Danko werkte. En dan Beaver. Met Grachan Moncur III, Ken McIntyre, Beaver en ikzelf. We maakten vijf platen op enkele dagen - één kwam nooit uit. Er was “Live at Nyon” (Cadence CJR 1002 - 14 juni 1979), twee voor Red Records (“360 Aeutopia” - met Massimo Urbani - Red VPA-146 - 20 juni 1979) en “Safe” (Red VPA-151 - 22 juni 1979) en nog een voor Soul Note: “Beautiful Africa” (Soul Note SN1002 - 23/25 juni 1979) net als de Red lp’s in Milaan ingeblikt. Op de eerste twee is de pianist de niet zo gekende Ron Burton.
In zijn 360 Degrees Experience gebruikte Beaver ook Don Pullen. Pullen wilde vrijer spelen en Beaver hield daar ook van. Vermits ik met beiden ondervinding had opgedaan en veel had gerepeteerd, viel er een nieuwe appel uit de kast. Pullen kreeg telefoon van Vim Vickt (Wim Wigt ...) om met George Adams een kwartet op te zetten. Dannie Richmond was de drummer, maar er was niet direct een bassist. Een aanbeveling van Don loste het probleem op ... Ik dacht dat het voor een tournee was, maar het werd een heel intens project, dat bijna tien jaar zou duren.



Adams - Pullen

Adams-Pullen-Brown-Richmond, het werd een succesformule. Tijdens dit decennium is Cameron Brown veelvuldig omringd door ex-leden van de inmiddels overleden Charlie Mingus (zie hoger).

Ze nemen niet direct op voor Timeless, maar de eerste sporen van hun bestaan worden in Milaan vastgelegd voor de labels Palcoscenico (“Funk” - 2 november 1979 - PAL15002 en “More Funk” - 3 november 1979 - PAL15003) en Soul Note (2/3 november 1979 - “Don’t Lose Control” - SN1004). Een ander verblijf in Italië leidt tot de ontmoeting met Larry Nocella.

Larry was a very good Italian saxophone player, a very sad fellow with his addiction problems, but a very fine saxophone player. Red Records wilde Dannie’s ritmesectie om met hem een plaat op te nemen. Dat gebeurde in een kerk. Het was er erg koud en vochtig, een heel vreemde bedoening. Daar zat ik met naast Dannie pianist Bob Neloms - de titel leek me wel op het lijf geschreven: “Everything Happens To Me” (Red VPA-167 - november 1980).

Inmiddels heeft Wim “gewikt” en werkt zowel met het kwartet (*) als met het Dannie Richmond kwintet (**) (met Brown - b, Jack Walrath - tp, Ricky Ford - saxen en Bob Neloms - p). Dat levert volgende sessies op:

3/5.8.1980 * Earth Beams - Timeless SJP 147
18.8.1980 ** Plays Charlie Mingus - Timeless SJP 148
24.9.1980 ** Dannie Richmond Quintet (Gatemouth 1004)
5/6.4.1981 * Life Line - Timeless SJP 154
23.5.1981 - Jack Walrath - Revenge Of The Fat People (Stash ST221 IMS)
28.3.1983 * City Gates - Timeless SJP 181
30.5.1983 ** Dyonisus (Red VPA 161)
19.8.1983 * Live at the Village Vanguard (Soul Note SN1084: vol. 1 & 121144-2: vol. 2)
2/3.2.1984 * Decisions - Timeless SPJ 205
4/5.4.1985 * Live at Montmartre - Timeless SJP 219 (met John Scofield erbij)

Andere labels dan Timeless plaatsten we tussen haakjes. Twee sessies met Cameron Brown staan hier los van: die met de Charlie Persip Super Band uit 1980 (Stash ST221 IMS met Bob Stewart op tuba, de jonge Gary Smulyan en Mingus-mensen Jack Walrath en Bill Saxton). Op de Jack Walrath-plaat speelt pianist Michael Cochrane - recent te horen op “Cutting Edge”, een SteepleChase CD (SCCD 31430) onder zijn naam. De dag na Dyonisus (31 mei/1 juni 1983) is Cameron op een sessie met vocaliste Lisa Rich (Discovery DS908).

De combinatie George Adams- Don Pullen gaat dan verder bij Blue Note met “Breakthrough” (30 april 1986 - BN 46314) en “Song Everlasting” (21 april 1987 - BN 46907). Twee nummers van elke lp/cd vind je op de recente compilatie “The Best Of Don Pullen” (BN 23513).

Met het kwartet liep alles vlot tot Dannie’s dood (15 maart 1988), ook al liepen de opvattingen van Don en George uiteen en wou Don liefst wat anders doen. Een ander probleem was dat we niet zoveel voor Blue Note hadden opgenomen en dat het label, mede door de opgang van de cd, zijn jazzproductie en zijn heruitgaven weer had opgestart. Wij vielen tussen twee stoelen - er was meer van ons elders te vinden - en we kregen amper promotie en zeker niet in Europa. Het was frustrerend op tournee in Europa nergens onze opnamen te vinden. It was insane and so disappointing.

We hadden nog heel wat boekingen - o.m. een uitgebreide festivaltoer in Europa en het Mount Fuji festival in Japan in augustus 1988 en 1989. We vertrouwden Dannie’s plaats toe aan Lewis Nash. George begon op te nemen voor het Something Else-label - het Japanse equivalent voor Blue Note, Don Pullen deed voor hen een trioplaat met Gary Peacock en Tony Williams.
Toen belde Dewey Redman.



Dewey Redman

Ik ben nu zo’n acht jaar in Deweys band. Het begon in de lente van 1989 met een erg krappe tournee - Geri Allen en drummer Eddie Moore waren de andere twee leden. We maakten een opname in de herfst van dat jaar (“Living On The Edge” - NYC, 13/14 september 1989 - Soul Note 120123-2).

Dewey? He’s a marvellous and supportive bandleader. Hij dringt je nooit op wat en hoe lang je moet spelen, moedigt je aan en kiest net die musici die hem passen. Dat heeft schitterende resultaten zoals je zal horen op de opnamen van Ronnie Scott’s Club begin oktober 1996 voor een klein Amerikaans label Palmetto met Rita Marcotulli en Matt Wilson.


Dat was enkele maanden voor Ronni het tijdens de kerstdagen voor bekeken hield. De cd verscheen inmiddels onder de titel “In London” (Palmetto PM-2030). Wellicht typeren we Redman het best met een indringend vers dat hij in 1974 neerschreef en dat je in het tekstboekje bij deze cd terugvindt.

MUSIC the most elegant of travelers,
living in living
spanning infinite reincarnations -
pacifying agnostic and pious alike
MUSIC mastermaker of the body - intimate
with the soul - laying to shame
all explanations
MUSIC true God of the universe?

Cam en Dewey Redman zijn weer verenigd onder de naam van drummer Ed Blackwell (“Walls-Bridges” - 27 februari 1992 - Black Saint 120153) en later dat jaar ook op “Choices” met zoon Joshua Redman en Leon Parker - een combinatie die meer dan een jaar bestond (29/30 juli 1992 - enja cd 7073-2).

Michael Bocian is a hell of a guitar player. Together with Dewey and drummer Skip Hadden we cut “Reverence” on September 22nd and 23rd - the latter being Trane’s birthday (enja ENJ 8096-2 - 1994).

Minder belang hecht Cameron aan een zomerse opname datzelfde jaar met ... kerstliedjes (Christmas with Houston Person). Hij is te horen op 6 nummers met pianist Benny Green, gitarist Melvin Sparks en drummer Winand Harper in de ritmesectie (29 juli 1994).
Maar nu een lustrum terug in de tijd, nét voor Kerst 1989.


Popkin, Bonafede en België

Cameron Browns belangstelling voor ook een meer cerebrale jazzbenadering leidde hem naar Lennie Tristano en bracht hem bij het Connie Crothers-Lenny Popkin kwartet met dochter Carol Tristano aan de drums met albums als “Love Energy” (14/21 april 1988 - New Artists NA 1005 CD), “In Motion” (23/25 november 1989 - NA 1013 CD - opgenomen in België, een stukje in De Werf), een bij de toenmalige BRTN, “New York Night” (4 december 1989 - NA 1008 CD - net daarna in de Blue Note in New York) en het ruim drie jaar latere “Jazz Spring” (26 maart 1993 - NA 1017 CD), cd’s met een bijsluiter boordevol zonder informatie.
Inmiddels was er Sal Bonafede.

Sal is one of my favorite musicians in the whole world. Ik maakte die opname met hem en met Joe Lovano en Adam Nussbaum. Werd opgenomen aan Broadway, tussen 19e en 20e Straat.” (“Actor Actress” - Ken Music 660 56004).

Vreemd dat er een aantal titels opstaan met de naam van een musicus: “Motian”, “Joe Lovano”, “Paul Bley”, “Mel Lewis”, ...

Hij gaf gewoon namen van die mensen aan composities van hem. Ik denk dat hij een fenomenaal componist is - in meerdere muziekstijlen. Ik sta erop te springen om weer met hem te werken, maar hij verhuisde terug naar Palermo twee, drie jaar geleden. Maar gelukkig blijft hij internationaal - hij was op de Europese zomertoer (1997) met Joe Lovano toen we Sinatra deden. (Maar niet op de cd “Celebrating Sinatra” - Blue Note 37718, die al een jaar eerder, 2/3 juli 1996, was opgenomen).

Tonesetters-vkh haalt Cameron Brown dan naar België voor de opname van de cd “Spring Cleaning” (TS002 - 19/20 mei 1992) samen met Steve Houben, John Ruocco en Chris Joris, die al op “Songs For Mbizo” (TS001) zaten. Met Isbin, John en Chris wordt ook een promotietournee opgezet, die er o.m. toe leidt dat Chris Joris Cam inhuurt voor zijn nieuwe cd “Bihogo” met Pierre Vaïana en een aantal gasten waarbij de Britse tromboniste Annie Whitehead. (24 november 1992/ 20/21/31 juli 1993 - TS006). Tussenin worden de opnamen gemaakt voor “Dance or Die” van Nathalie Loriers met Jeroen Van Herzeele en Rick Hollander (juni 1993 - Igloo IGL-105).

Ik maakte dan die plaat met Steve (Slagle) voor SteepleChase in oktober 1994 (SCCD-1367).”

In Denemarken?

Nee, helemaal niet. Die kerel - Nils Winther (baas van het Deense label) - komt twee keer per jaar naar New York en neemt dan materiaal op voor 10 tot 20 platen.”

Zoals Gerry Teekens voor zijn Criss Cross label. Hij is er altijd rond de kerstperiode.

They do very quick sessions - it’s not the best artistic conditions. Je speelt en Nils vindt het oké. Als je dan voorstelt om nog een take te doen, vraagt Nils: “Why ... Let’s go - this is okay, good enough.” Best voor hem dat je meteen aan het volgende thema begint. Hij werkt op de voor hem meest economische manier.”

De verkoop is niet denderend.

Mogelijk - in het begin was het anders. Ik herinner me op SteepleChase b.v. die duoplaat met de bassisten Sam Jones en Niels-Henning Ørsted Pedersen. Nu, wat de plaat met Steve betreft - hij was een oude vriend. Als je dertig jaar in New York woont, ken je al wel wat mensen en heb je met haast alle musici samengespeeld. Zo - Steve belde me op en bracht Kenny Drew Jr. en Jeff Hirshfield mee.


De componist, de bandleader

Een zichtbaar tevreden Cameron Brown bereidt op 9 november 1997 het concert van die avond in het kader van de Jazz’halo Music Days voor. Sheila Jordan, Leon Parker, trompettist Dave Ballou (° 22 april 1963 - een week voor Coltrane o.m. “After The Rain” voor Impulse opneemt). Ballou is de minst gekende - hij zal positief verrassen! Een minder aangename verrassing is het uitvallen van Dewey, die de dag ervoor in Gouvy nog meespeelde.
Sheila Jordan loopt even binnen om nieuwe afspraken te maken. Het hoogtepunt van de Music Days komt nog: het eerste concert van de slotavond, haar duo met Cameron (11 november).

I haven’t done much composing. Alles staat op deze cd’s.

De titels van Camerons composities zijn: ”For Dad and Dannie”, “Babies, Children”, “Riley’s Bounce” en “Lullabye For George, Don and Dannie”. De eerste cd verschijnt in het najaar.

Ik hoop hier wat aan te doen. Maar mijn vrouw en ik hebben twee kinderen - 11 en 7 - en wij geven ze thuis les. Wanneer ik dan niet op tournee ben, wil ik daarbij ook mijn verantwoordelijkheden opnemen. Dat maakt dat ik het erg druk heb en niet aan componeren toekom. Wanneer ik dan toch even een vrij moment heb, wil ik liever relaxen, wat lezen, wat losspelen.
In 1988 stierven zowel mijn vader én Dannie Richmond. Voor hen schreef ik “For Dad and Dannie”, maar het voldeed me nooit, hoewel ik het de laatste tien jaar geregeld herschreef. Tot ik deze zomer (1997) eindelijk mijn idee kon uitwerken zoals het hoorde. Ik ben te perfectionistisch ingesteld.


Er wachtte Cameron tijdens de Jazz’halo Music Days een nieuwe uitdaging. We schetsen ze met titels uit het slotconcert met Sheila - zoals we ook begonnen: he grew accustomed to his bass, maar nu wilde hij weten of hij als bandleider geschikt was - een rol die Jos Demol hem bewust had toegereikt. Het werd geen “Good Morning Heartache”, maar wel “Better Than Anything”.



homepage